Hans en de wereld

Name:
Location: Leuven, Belgium

Sunday, April 29, 2007

Lermontov - De held van onze tijd (3)


Want macht over een fris ontloken ziel schenkt grenzeloos genot. Ook een bloe geurt het zoetst bij zonsopgang, en moet terstond worden geplukt en zodra je haar geur hebt ingedronken worden weggegooid - voor wie haar op wil rapen. Ik ben bezeten door deze onverzadigbare, alles verterende gulzigheid. Lief en leed om mij heen dient mij, mij alleen, als voedsel voor mijn eigen ziel. Passie berooft mij allang niet meer van mijn verstand, en mijn eerzucht is gesmoord in de praktijk van het leven.

***

Ik heb bij ze gegeten. De vorstin kijkt vertederd naar mij en plakt aan haar dochter - niet te best. En Vera is jaloers, die gunst heb ik dan toch maar verworven. Wat een vrouw al niet doet om haar rivalen dwars te zitten. Er is een keer iemand verliefd op me geworden omdat ik van een ander hield. Geen groter paradox dan het brein van de vrouw. Het is ondoenlijk haar ergens van te overtuigen, je kunt hooguit proberen zo te manoeuvreren dat zij zichzelf overtuigt. Zij hanteert een werkelijk originele bewijsvoering om haar principes te lijf te gaan, en wie haar dialectiek wil begrijpen moet de schoolregels van de logica omdraaien. Een normale denkwijze is bijvoorbeeld de volgende: deze man houdt van mij, maar ik ben getrouwd, dus mag ik niet van hem houden. De denkwijze van een vrouw : ik mag niet van hem houden, want ik ben getrouwd; maar hij houdt van me, dus... De gedachtenpuntjes geven aan dat het verstand verder zwijgt en dat praten wordt overgelaten aan de tong, de ogen en, mits aanwezig, het hart.

Als deze notities ooit in de handen van een vrouw zouden vallen, zou ze ze verontwaardigd als laster bestempelen.

Lermontov - De held van onze tijd (2)


De afgelopen twee dagen ben ik enorm opgeschoten. De prinses heeft zonder meer een hekel aan me gekregen. Er zijn me al twee of drie behoorlijk venijnige, maar ook heel vleiende epigrammen overgebriefd. Het bevreemdt haar uitermate dat ik, die toch in de betere kringen verkeer en op intieme voet sta met haar Petersburgse nichten en tantes, geen moeite doe om met haar in contact te komen. We zien elkaar elke dag, bij de bron en op de boulevard, en ik zet mijn beste beentje voor om haar aanbidders-briljante adjudanten, bleke Moskovieten, enzovoort- bij haar weg te lokken, waar ik meestal in slaag. Ik heb altijd de pest gehad aan bezoek, maar tegenwoordig heb ik elke dag een vol huis, bij de lunch, aan het diner, om te kaarten- en helaas, mijn champagne wint het van haar magnetische oogjes.
Gisteren zag ik haar in de winkel van Tsjelachov, in onderhandeling over een prachtig Perzisch tapijt. Ze smeekte mama-lief niet op een roebeltje te kijken, het zou het zó mooi doen in haar kabinet! Door veertig roebel meer te bieden wist ik het in de wacht te slepen. Ik werd beloond met een moordende blik, die me verzaligde. Tegen etenstijd liet ik mijn Tsjerkessische paard met het tapijt als dekkleed langs haar vensters leiden. Volgens Werner, die op dat tijdstip bij hen was, scoorde de scène een hoogst dramatisch effect. De prinses predikt een kruistocht tegen me. Ook viel het me op dat er al twee adjudanten zijn die mij heel stijfjes groeten als zij er bij is, hoewel ze dagelijks bij mij dineren

Thursday, April 26, 2007

Lermontov - De held van onze tijd (1)


Werner is klein en schriel. Hij heeft een horrelvoet, net als Byron. Zijn hoofd is in verhouding tot zijn lichaam enorm. Het bizarre patroon van tegengestelde neigingen op zijn oneffen schedel - door zijn korte haar nog haast benadrukt - zou voer voor frenologen zijn. Hij heeft kleine zwarte ogen met een rusteloze, vorsende blik. Zijn kleren getuigen van smaak en properheid. Hij draagt altijd een zwarte jas, een zwarte das en een zwart vest, zijn pezige handen steken in helgele handschoenen. Door de jeugd wordt hij Mefisto genoemd. Zogenaamd ergert hem dat, maar in feite streelt het zijn eigenliefde. Wij voelden elkaar direct aan en werden vrienden - of wat daarvoor doorgaat, want tot vriendschap ben ik niet in staat. Waar twee mensen bevriend zijn is er één slaaf, ook al wil geen van beiden dat meestal toegeven. Slaaf kan ik niet zijn en de lakens uitdelen is, wanneer er ook nog bedrog aan te pas moet komen, een vermoeiende aangelegenheid. Bovendien heb ik lakeien en geld genoeg.

Ik leerde hem kennen in S., op een avond met veel herrie en jongelui. Op het eind verloor men zich in filosofisch-metafysische thema's en levensovertuigingen. Iedereen geloofde in van alles en nog wat. 'Wat mij betreft, ik ben maar van één ding overtuigd', zei de dokter. 'Waarvan dan', vroeg ik, benieuwd naar de mening van iemand die tot dan toe had gezwegen. 'Dat ik vroeg of laat op een goeie dag doodga,' antwoordde hij. 'Dan ben ik rijker dan u', zei ik, 'want ik heb nog een overtuiging, namelijk dat ik op een kwaaie nacht het ongeluk heb gehad geboren te worden.' Iedereen vond dat we onzin uitkraamden, hoewel er de hele avond eigenlijk niets verstandigers was gezegd. Vanaf dat ogenblik lieten we de massa de massa. We zagen elkaar vaak en praatten dan zeer serieus over abstracte onderwerpen totdat we merkten dat we elkaar bij de neus namen. Dan keken we elkaar veelbetekenend in de ogen, zoals de Romeinse auguren volgens Cicero plachten te doen, en schoten in de lach. Wanneer we uitgelachen waren gingen we elk ons weegs, tevreden over de avond die we met elkaar hadden doorgebracht.

De gazelle, de dood en de verrijzenis


Eens het bruggetje onder de spoorweg in Mont-Saint-Guibert gepasseerd sloeg de vermoeidheid toe in de pootjes van de gazelle. De weg begon dan ook gestaag te klimmen. Dit bleef duren, ook eens we de agglomeratie achter ons hadden gelaten. Vervolgens passeerden wij het autowegenknooppunt en belandden we zo in een industriepark.
Dit alles is niet de natuurlijke leefomgeving van de soort der gazelles. Het verwonderde mij dus niet dat zij even verder, naast een stukje grasland, vroeg om halt te houden. Na wat gegraasd te hebben van het verse, sappige gras in de schaduw en op een charmante manier water te hebben gedronken ging ze liggen, de pootjes omhoog, zoals vastgelegd op de foto die bij deze tekst hoort.

Ik had hierbij niet veel keuze dus besloot ik maar tegen een boom te leunen en wat van de omgeving te genieten.
Even later passeerde er een ziekenwagen. Aanvankelijk leek het mij dat zij zonder meer voorbij zouden rijden maar plots remden zij bruusk en hielden halt ter hoogte van mijn boom.

Er zaten een man en een vrouw in de wagen. Beide keken mij ietwat verwonderd, stilzwijgend, aan. Vervolgens zag ik hoe hun blik langs mij heen afdwaalde. Ik volgde deze en bekeek de uitgetelde gazelle, nog steeds in eenzelfde houding op de grond vertoevend, al zag ik nu ook een stukje tong uit het mondje zwabberen.
'Elle est morte, elle?' vroeg de man ongegeneerd aan mij.
Ik keek hem aan, keek terug naar de gazelle.
'Je ne pense pas'.
'Mais elle ne bouge pas!!!'
Ik keek even naar de gazelle.
'Ah oui, tu as raison. C'est étrange, non?'.
Ze keken mekaar op een voor mij raadselachtige manier aan, toen net op dat moment mijn gazelle haar oogleedjes optilde. Wat verdwaasd keek ze naar de wolkjes in de hemel wat een glimlach op haar mooi-gebruinde gelaat deed verschijnen. Liefdevol keek ik naar haar, wat de mensen in de wagen deed doorrijden.
Vreemde mensen toch.

Tuesday, April 24, 2007

Russland grenzt an kein Land, Russland grenzt an Gott!


Ongeveer 1813

Poesjkin brengt een gedicht ten hore voor een jury. De voor die tijd stokoude voorzitter hiervan is Gavriil Derzjavin. In zijn glorietijd dé hofdichter aan het hof van Catharina de Grote. Hij is de geschiedenis ingegaan als de eerste grote Russische dichter.

Bij de voordracht van Poesjkin zou deze door Derzjavin als zijn rechtmatige opvolger aangeduid zijn geweest. Iets waarin de geschiedenis hem gelijk heeft gegeven.

Twee ontzettend aangrijpende gedichten van Derzjavin...


***


Al wat de mensen ooit vermogen

Drijft weg in de rivier der tijd,

En volk en vorst wordt meegezogen

In d'afgrond der vergetelheid.

En blijft er toch iets ongeschonden

Door zoete klank van lier of fluit,

't Wordt door de eeuwigheid verslonden

En komt onder het lot niet uit.


***


In 1794 stierf de vrouw van Derzjavin. Hij schreef het volgende afscheidsgedicht aan haar.


Bij de dood van Katerina Jakovlevna, op 15 juli 1794


Niet 't zoetgevooisd zwaluwtje is mij ontvlogen

Vanonder het dak van mijn huis.

Maar o wee!Mijn liefste, mijn schoonste, de troost van mijn ogen,

Vloog weg - en nam al wat mij vreugde gaf mee.


En 't is niet de maan die haar bleke geflonker

Op 't angstige zwart van de duisternis richt,

Maar wee, 't is haar lichaam dat glanst in het donker,

Alsof daar een engel te sluimeren ligt.


't Gehuil van de honden die haar niet meer vinden,

't Gehuil van de wind, van het huis - alles treurt;

Maar niets kan haar wekken, die ik zo beminde;

Een donderslag trof me, mijn hart is verscheurd!


O, jij kleine zwaluw, met blauwgrijze veren,

Zo gauw als het lente wordt keer je hier weer;

Maar jij, mijn geliefde, zult nooit wederkeren,

Jou zie ik op aard in dit leven niet meer.


Zij is er niet meer, de vriendin die 'k vertrouwde,

Zij is er niet meer, mijn onschatbare vrouw,

Zij is er niet meer, zij op wie ik steeds bouwde,

Ze worden ten grave gedragen met jou.


Hoe moet ik nu verder? Niets is mij gebleven!

Het gif van mijn lijden verteert mijn gemoed.

Vaarwel dan, o helft van mijn ziel, van mijn leven,

De kist gaat nu dicht en verbergt je voorgoed.

Silentium

SILENTIUM!

Blijf zwijgen, dek je, houd geheim
Wat jouw gevoel, jouw dromen zijn
-'t Is goed indien dat in je ziel
In stilte rees, in stilte viel,
Zoals een ster 's nachts rijst en neigt,
-Bewonder dat - als je maar zwijgt.

Hoe uitte ooit het hart zich echt?
Begrijpt een ander wat je zegt?
Waarvoor je leeft, wordt hem dat klaar?
Idee verwoord is reeds onwaar
.Door roeren wordt de bron bedreigd,
-Drink diep eruit, - als je maar zwijgt.

Te leven in jezelf, leer dàt -
Weet hoe je ziel een rijk bevat
Van droom en tover ongekend;
Die worden buiten overstemd,
Zij vluchten als het zonlicht stijgt, -
Hoor hun gezang - als je maar zwijgt..!

Monday, April 23, 2007

Poesjkin

Afscheid

Ik waag het in gedachten even
Jouw beeld te strelen, nog één keer
Vol vuur de droom te doen herleven,
En in een zalig, schuchter leven
Herinner 'k me jouw liefde weer.

De jaren zijn voorbijgevlogen,
Alles verandert, zo ook wij.
Jij bent reeds in des dichters ogen
Met 't somber grafkleed overtogen,
Mijn leven is voor jou voorbij.

Aanvaard mijn afscheid in genade,
Zoals, vriendin uit vroeger tijd,
Een vrouw bij 't sterven van haar gade;
Een vriend, die stil zijn kameraden
Omhelst voor hij wordt weggeleid.

Villers-la-Ville




Lermontov - 's levens kelk

We drinken uit de kelk van het bestaan
Met dichte ogen,
De gouden rand is nat van elke traan
Die we vergoten;

Maar als van onze ogen, voor de dood,
De schellen vallen
En al wat lonkte en spektakel bood
Ons is ontvallen,

Dan blijkt de beker leeg, en ons ontzet
De naakte bodem,
En dat de kelk slechts vol geweest was met
Andermans dromen!

Grazend op de weide


Na een rustige nacht vol uitzinnig vogelgekwetter en het wat beperkte ontbijt trokken wij rond 9u20 in de ochtend te voet richting abdij. Onderweg drumden wij onszelf nog een plaatsje in een lokale bakkerij die het op een zondag blijkbaar heel goed doet. Enkele koeken werden er gekocht om dan verder te wandelen, op een smal voetpad langs een vrij drukke hoofdweg, richting abdij.De abdij van Villers-la-Ville is een begrip. Tijdens en na de Franse revolutie (1789, voor de gazelles onder jullie) werd het kerkelijk bezit nogal wat geplunderd en gebrandschat. Dat alles volgens de idee dat alles aan de staat en de gemeenschap behoorde. Abdijen en kerken werden massaal vernield en af en toe werd er een patertje verkracht.
Villers is duidelijk slachtoffer geworden van deze pijnlijke voetnoot van de geschiedenis want nagenoeg geen enkel gebouw heeft nog een dak. De abdij bestaat dus uit ruïnes. Jammer natuurlijk, aangezien er toch nog vele abdijen (redelijk) ongeschonden uit deze periode zijn gekomen (Fontevraud is een mooi voorbeeld). Anderzijds, wat Villers uniek maakt, is dat àlle gebouwen, weliswaar als ruïne, bewaard zijn gebleven. Dus niet alleen de kerk of de slaapplaatsen van monniken, maar ook de gastenkamers, de bakkerij, werkplaatsen, ...
En daar kun je dus doorheen slenteren. De uiterst groene omgeving maakt deze wandeling extra aantrekkelijk en het is dan ook niet te verwonderen dat de gazelle, eens de kassa gepasseerd om 10u toen de abdij openging en er niemand anders bleek te zijn en wij dus de abdij voor ons alleen hadden, dolgelukkig haar leiband losrukte om op het eerste het beste grasperkje te gaan grazen.
Na zelf nog even het toilet bezocht te hebben voegde ik mij weer bij haar, hoewel het zelf dartelen mij niet echt goed afging. Vrolijk en onbezorgd hinnikte zij van gebouw tot gebouw. Almaar babbelend over het leven van de patertjes, 2 eeuwen en meer geleden. Af en toe diende ik haar spraakwaterval op een historisch verantwoorde wijze te corrigeren maar haar inlevingsvermogen deed mij toch plezier.
Ook dit ging voorbij en na - onder een steeds meer blakende zon - teruggekeerd te zijn naar de gastenkamer voor het ophalen van de fiets - vertrokken wij terug naar Leuven.
Het begin van deze tocht had ik zelf ontworpen, alweer volgens de Bikely-site. Dit leidde ons, na het verlaten van het dorpscentrum van Villers, omhoog doorheen een groene en rijke villawijk. Na een korte afdaling kwamen we in de open ruimte in Mellery. Hier stond het volgende dorpje, Gentinnes, aangegeven en wij volgden simpelweg deze route.
In Gentinnes was het de bedoeling in te pikken op de RVU (Rando Velo Universitaire) die de universiteitssteden Leuven, Louvain-La-Neuve en Gembloux op een fietsvriendelijke manier wil verenigen. Na een kleine zoektocht lukte dit zodat we de weg volgden richting Leuven.
Deze route staat nogal miserabel aangegeven, met geelblauwe stickertjes op verkeersborden. Vaak nogal onduidelijk na een kruispunt.
Het eerste deel van de route was te doen qua schoonheid maar niet fantastisch. Reden hiervoor was het feit dat er geen fietswegen worden gevolgd maar gewoon autowegen die dan kleine dorpen met mekaar verbonden. Omdat het ook nog zondag was konden wij rustig fietsen maar op weekdagen lijkt de route mij toch niet ongevaarlijk.Dit ging zo tot de eerste wat grotere plek, Mont-Saint-Guibert. Via een voormalig geitenpadje/huidig pispaadje vermeden we dit typisch Waals voorgeborchte van de hel en achter het station reden we verder, langzamerhand terug de natuur in.
Tenminste... Dat dachten we. In feite bleven wij langs een grote weg rijden die ons in de week een hel leek te zijn. Nu was er geen verkeer. Op een bepaald moment kruisten wij de autoweg op een manier zoals auto's ze kruisen. Weer prezen wij ons gelukkig dat het zondag was...
Even verder, we naderden Louvain-La-Neuve al met rasse schreden, doorstak de route zelfs een mottig industriepark. Hier besloot de gazelle dat het eventjes genoeg was en werd er een pauze ingebouwd.

Sunday, April 22, 2007

Erhöre meine Stimme


Ik was net het winkeltje op een plein binnengegaan en buitengekomen met een fles wijn, 2 flesjes bier uit Villers, een appel en chips. Monter stak ik alles in de fietszakken om vervolgens rond te kijken waar onze chambres d'hotes zich bevonden. De gazelle trok zich daar niet veel van aan, zuchtend en puffend probeerde ze haar fiets recht te houden. Ik koos ervoor eerst de weg naar boven, steil en met kasseien alweer, te verkennen. Ze volgde mij te voet.
Ik was niet overtuigd van de juistheid van de weg en besloot dan maar een lokale persoon te raadplegen. Deze wist vreemd genoeg meteen waar ik moest zijn. Wij de helling af, het spoor over en aan de grote weg naar links. Na nog een klein stukje fout te zijn gereden vonden wij wat we moesten hebben : een uiterst smal pad vol kiezeltjes langs een riviertje. Het liep parallel met de grote weg, achter een huizenrij, en leidde tot een rustige weg. We volgden deze en twee bochten verder dook plots onze verblijfplaats op : een grote, alleenstaande, hoeve.
Hier op het erf aangekomen zagen we geen kat. Er stond alleen een paard te grazen en een mooie, maar wat verwaarloosde hond, sprong ons blaffend tegemoet. De gazelle, denkend dat haar laatste levensadem gearriveerd was, verborg zich achter mijn brede rug om daar pas achteruit te komen eens de hond op zijn rug lag en zich door mij liet bepotelen. Niet veel later dook er een uitermate lelijke, maar vriendelijke, vrouw op die ons welkom heette. Ze liet ons de fietsen in een schuur stallen en toonde ons dan de kamer. Ze verliet ons even later met de mededeling dat ze zelf binnen een half uurtje zou vertrekken maar dat 'monsieur le comte et madame la comtesse' dra zouden arriveren. Aha... graaf en gravin...
Wij gingen douchen, ontkurkten de fles zoete witte wijn en installeerden ons op de wei aan een zitbank. Ik trapte hierbij nog even in een hondenuitwerpsel maar verder verliep alles ok. Rond half 9, het werd donker, zochten we opnieuw de kamer op. Niet veel later waren de gastheren gearriveerd. Ook zij heetten ons zeer vriendelijk in een goed doenbaar Nederlands welkom. Terug op bed, en lezend de nacht tegemoet.
Die verliep zeer goed en rustig, met tegen de ochtend meer en meer fluitende vogeltjes. Om kwart na 8 rinkelde de wekker en begaven wij ons langzamerhand richting ontbijttafel. Die viel wat tegen qua kwantiteit al was de geboden voedselhoeveelheid nog wel doenbaar. De gazelle haalde haar geld boven, rekende af, en wij vertrokken te voet (de fiets bleef nog even ter plaatse) naar de abdij.

Gezeten in de schaduw is de vrouw op haar gevaarlijkst


Waar waren wij beland...
Op een weide, een helling verder dan Dion-Valmont.

Het middaguur was net voorbij. De uitzonderlijk warme aprildag werd warmer en warmer - de grens van 25 graden vlot passerend. Onze fietsen stonden in de schaduw. Op de heuveltop, als door de goden voorzien, was een bankje, in de brandende zon, waar je uitkeek over een groot veld alwaar de haas een van de komende minuten zijn opwachting zou maken.
Ik trok mijn T-shirt uit en wilde mij lekker in het zonnetje zetten, boterhammen opeten en wat fruitsap drinkend. Mijn verlangen tot autonomie werd echter terdegen gekortwiekt door een bezorgde gazelle die schrik had voor het kankereffect van de zon op mij bleek huidje. Zelf zette zij zich tegenover mij, op de grond, in de schaduw.

'Kom hier zitten', beval ze mij, haar trui uitspreidend om mij te lokken.

Toen ik 10 werd, in de vroege herfst van 1987, nam mijn vader mij eens apart. 'Hanske, ge zijt een man aan het worden nu. Er is één belangrijke wijsheid die ik u te leren heb'.

Mijn aandacht was gewekt en ik luisterde met gespitste oren naar mijn vader'.

'Vertrouw nooit vrouwen die hun trui naast zich uitspreiden', zo maakte hij mij Diets.

'Mijn vader weet het van zijn vader. Die weet het dan weer van zijn vader, etc.', zo verduidelijkte Iron Bertie mij de oorzaak van deze familietraditie.
Het zal wel kenmerkend zijn voor het zwakke bloed dat door onze mannelijke aderen stroomt dat het beeld van een klaarliggende trui ons, mannen uit de clan, ertoe brengt ons plekje in de zon op te geven om ons in de schaduw in het web van de vrouw te smijten.
Desalniettemin moet ik zeggen dat de gazelle mijn bovenlijf hiermee wellicht van het uiterlijk van ietwat belegen rozebottelthee bespaarde.
Na het eten trokken wij weer verder. Na de pas overwonnen heuvel volgde logischerwijze een afdaling. Deze was heel aangenaam - langzaam en uitgestrekt. Pas in de buurt van het volgende dorp, Dion-le-Mont, dook de weg feller de diepte in.

In dit dorp aangekomen reden wij volkomen mis. De reden was weer dezelfde : straatnamen genoeg op mijn vier bladzijden tellend document maar geen overzichtskaartje. We volgden de hoofdweg die via enkele haarspeldachtige lussen weer stevig naar boven klom. Na een mooie klim van een tweetal kilometer belandden wij op een kruispunt met de poetische straatnamen 'La commone' en 'Tout vent', in het midden van een hoogvlakte.
Geen van beide namen figureerden op mijn straatnamenlijst, maar in de verte zag ik een dorp glinsteren, beneden in het dal. 'Rechtdoor', zei ik dus. De weg ging lekker naar onder, botste op een vrij drukke hoofdweg en rechts konden wij de naam van dat dorp lezen : 'Gistoux'. Oeps... Ik dacht in Corroy-le-Grand te zijn beland.
'Terug naar boven, liefde van mij', monterde ik mijn gazelle op. Puffend en zuchtend keerde ze de fiets en probeerde mij de helling op te volgen.
Weer teruggekomen op het kruispunt Commone-Tout Vent zochten wij hulp.
Ik zag een kerel die zijn auto aan het wassen was, spoedde mij naar hem, en vroeg in mijn meest accentloze Frans : 'Pardon monsieur, vous savez la route pour Corroy-le-Grand?'

Waarop hij mij zonder wedervraag als Vlaming wist te catalogiseren en in het Nederlands (hij bleek zelf een Vlaming te zijn) de weg naar Gistoux wilde opsturen. Die leek ons nogal druk dus vroegen wij een alternatief, wat wij kregen. Dankzij heel mooie, rustige wegen belandden wij zodoende in Gistoux waar de weg naar Corroy aangegeven stond.
De gazelle stond hierbij en keek ernaar. We trokken weer verder door, kwamen in Corroy, en na wat gestuntel (weer door een gebrek aan overzichtskaart) vonden we de weg naar het volgende dorpje, Nil St Vincent St Martin, dat het geografische middelpunt van Belgie zou zijn. De weg hierheen was deels heel mooi en rustig doorheen velden (de bossen waren verdwenen sinds onze broodjesmaaltijd enkele uren voordien), deels doorheen eveneens rustige woongebieden.

We staken een drukke weg over, doorkruisten een rustige dorpje en Hentinnes, waarna onze eindbestemming - Villers-la-Ville - erg dichtbij kwam. Het reliëf werd weer heuvelachtiger, de streek verlatener, en de omgeving zeer erg mooi. De gazelle besloot zich wat op te kleden door het zwarte koerstruitje, dat de zon nogal aantrok, te vervangen door een blouse met enige inkijk. Dit leidde bijna tot een ongeval op een vijfarmenkruispunt. Ik stond al klaar om verder te trekken richting Villers terwijl zij nog twijfelend aan een andere weg stond, met reeënoogjes proberend mijn zekerheden des levens (de weg) in twijfel te trekken. Een snode wielertoerist had dit opgemerkt, vroeg spontaan aan haar of hij kon helpen. Hij werd afgewezen (maar de nek niet overgebeten, de gelukzak), verwijderde zich en viel 5 meter verder pardoes op de grond.
Wij bekommerden ons daar niet verder om en zetten koers richting Villers. Zo passeerden we een armzalig, slechtgekasseid, landweggetje dat 'rue d'abbaye' noemde. Die naam had ik op mijn papieren staan dus daar sloegen we rechtsaf. Tussen de koeien en over slechte kasseien tokkend ging het zo verder.

Tuesday, April 17, 2007

Ik wil naar Villers-la-Ville


Ongeveer een tweetal weken na de tweedaagse fietstocht naar Sint-Truiden en Genk (hier niet beschreven) merkte ik een trieste, geslagen-puppy-achtig blik, in de oogjes van hare gazelle. De reden hiervan was niet ver te zoeken : de herinnering aan de fietstocht begon te vervagen, de gazelle werd omringd door werk en allerlei andere onleuke klusjes en taken.

Dit inspireerde mij tot het voorstellen van een nieuw project, weer een fietstocht natuurlijk, nu richting Waals-Brabant. In mijn gedachten begon zich al een heel parcours af te tekenen : gemeentes die wij zouden kunnen aandoen, hellingen die te overwinnen waren, mooie steensoorten, etc...

Ik vertelde haar in geuren en kleuren over mijn plannen - hoe wij de taalgrens zouden oversteken, via allerlei dorpen (Grez-Doiceau, LLN, Villers-la-Ville) tot Gembloux zouden raken, zo verder richting Eghezée, Jodoigne en weer terug.

Deze volledig uitgewerkte uitleg ging verloren in de eindeloze dieptes van haar azuurblauwe oogjes en paardebloemblonde haar en slechts één woord bleef hangen : 'Villers-la-Ville'.

De volgende dagen kwam er desgevallend niet veel meer uit dan : 'Ik wil naar Villers-la-Ville', 'Ik wil naar Villers-la-Ville'.

Opeens werd een onnozel uitspattinkje van mij gepromoveerd tot absolute vakantiebestemming. Ik gooide dus al mijn voorbereiding, ondertussen toch al een dertigtal dichtbeschreven bladzijden, in de vuilnisbak en begon een rit naar Villers-la-Ville te ontwerpen.

Dat was niet simpel. Een zoektocht op internet leerde mij dat de beste manier (en de enige zo leek) de autoweg van Brussel naar Nijvel was, om dan afrit Villers-la-Ville te nemen. Aantrekkelijk maar toch niet wat we wilden met de fiets.

Boeken en kaarten maakten mij niet wijzer : Waals-Brabant was onontgonnen gebied voor fietsers. Ook het vinden van logies verliep eerder moeilijk.

Nuja, om een lang verhaal kort te maken : ik stootte per toeval op de fantastische site van Bikely. Dat laat je toe zelf door simpelweg te klikken een fietsparcours uit te stippelen. Zaak is het dan om rustige wegen te kiezen en te hopen dat die doorheen mooie gebieden slingeren, en je niet per ongeluk in een industrieterrein belandt.

Zo vertrokken wij dus zaterdag 14 april, des ochtends om 10 uur 00 via de Parkabdij naar Meerdaalwoud. Ik had een vrij vage algemene kaart van Brabant bij en 4 bladzijden vol straatnamen, tot in Villers-la-Ville. Wat ik niet bijhad, en dat zou ons nog wel redelijk duur te staan komen, waren print-screens met overzichtskaartjes waar we zouden passeren.

Doorheen Meerdaalwoud, via allerlei dreven, liep het vlotjes. De meeste namen stonden mooi aangegeven en de rest wees zich zelf uit. Eenmaal voorbij het Zoet water misten wij echter de Weertse Dreef, vervolgden de weg rechtdoor via een énorm stijle heuvel vol grote keien. Hier geraakte ik ternauwernood boven - fameus gehinderd door de zakken vol bagage.

Misschien is dit de moment om te vermelden dat ondergetekende alle bagage op zich nam, terwijl de gazelle vrank en vrij kon fietsen. Onnodig verder op te tekenen dat de gazelle hierbij 3 paar schoenen, 4 bloesjes, 2 jurken, 5 onderbroeken en een paar botten dacht nodig te hebben gedurende de fietstocht van 2 dagen.

Ik zwalpte mij dus naar boven. Daar werd het duidelijk dat we god weet waar beland waren. Een mountainbikeparcours zo leek het nog wel.

Wij van de fiets af, uiteindelijk langs vervaarlijk blaffende honden het bos verlatend, en bleek dat wij reeds perfect op de goede weg zaten, zoals uitgekiend in mijn notities.
Via een heerlijke lus, de Rue de Beaumont, op de grens tussen Wallonie en Vlaanderen, kwamen we op de Rue de Pécrot. Ik wist niet of het daar links of rechts was, koos maar voor rechts, wat na een lange afdaling ons in Néthen deed uitkomen. Pécrot was de bedoeling echter, dus terug de fiets op, de lange klim naar boven, en via een steile afdaling kwamen we dan in het dorpje Pécrot.

De route verliep verder langs een rustige weg tot Archennes, tot in de buitenwijken van Grez-Doiceau waar wij heuvelop in een bos reden - het 'domaine du Bercuit'. Een poepsjieke wijk was dat - kasten van huizen met elk een eigen zwembad en/of tennisbaan en hier en daar opgefleurd met golfbanen. Caddies reden op en aan, wij - fietselingen - werden meewarig bekeken door deftig opgetutte débardeurkes.

Na enkele kilometers verlieten we de schaduwrijke omgeving om weer in volle hitte af te dalen, tot in Dion-Valmont. Ook meteen na dit dorp weer een stevig helling, waar we ons, eens boven, uitstalden om te middageten. Midden tussen de weilanden, in alle rust.

Ons geluk werd vervolledigd door een haas die door het veld huppelde.


Monday, April 16, 2007

Hoeve-ijs


Gedurende nagenoeg de hele, vroeg ontloken, lente stond mijn leven in het teken van 2 belangrijke zaken : de komende fietsvakanties (waarover later zonder fout meer) alsook de heropening van het, dixit mijn gazelle, befaamde ijssalon 'Popeye', gelegen aan de Koetsweg in Kessel-Lo.
Reeds verschillende gelegenheden had zij, te pas en te onpas, propaganda gemaakt voor deze Popeye.
'Wacht maar tot de Popeye open is, dan gaan we goed ijs eten! Daar verkopen ze het allerbeste ijs dat er op deze wereld bestaat'.
Veel meer kwam er eigenlijk niet uit in de voorbije maanden en ook mijn reactie dat er in Limburg hoeveijs was dat zeker en vast nóg beter was viel in ongenade.
Ik wilde, nieuwsgierig gemaakt, dat popeye-ijs eens proberen maar elke keer als ik naar haar toeging, en dit ijswinkeltje passeerde, bleek het gesloten. Of, als het niet gesloten was, was ikzelf niet in de buurt en ging de gazelle stiekem op haarzelf ijs slurpen.
Nu wil het toeval dat ik met mijn vader ('Iron Bertie') op maandag 2 april jongstleden gedurende een schitterend zonnige dag de 'Hagelandse heuvelroute' zou afhaspelen. Een beetje blijgezind en overmoedig begon ik daar stevig aan, om na een veertigtal kilometer dusdanig te kraken dat ik slechts met de grootste moeite + mentale kracht de 55 kilometer wist te voormaken.
In haar stulpje had de gazelle echter reeds drank voorzien (Leffe), wat mij weer op kracht deed komen - maar dat terzijde.
Iron Bertie wordt thuis nogal kortgehouden. Zijn vrouw, voor wie ik nog een gepaste bijnaam dien te bedenken, heeft namelijk alle mogelijke snoepgoed verbannen. Als ik daar de kast waar vroeger de snoep in verzameld was opentrek zie ik alleen nog zakken vol kattenbrokken.
Iron Bertie beweert, telkens zijn eega binnen gehoorsafstand opduikt, vol stelligheid dat hij volstrekt eensgezind met haar alle slechte dingen des levens heeft afgezworen maar, eens zij de rug heeft gedraaid of 80 kilometer verder vertoeft, dan hoeft er geen pak chips of sosies in Iron Bertie's buurt te komen of ie is er geweest.
Na elk 2 leffes genuttigd te hebben en de gazelles goed voorziene provisiekast geplunderd te hebben keerden wij met de auto weer naar mijn woonplaats. Hierbij echter de popeye passerend!
Ik brulde het uit : 'ijs, Iron Bertie!!!!!' waarop hij zijn wagen aan de kant zwierde en op een eerder vrouwelijke manier parkeerde (lees : schots en scheef).
Ik sprong uit de wagen en ging de Popeye binnen. Hier was een oude vrouw net bezig met het creeren van ijs wat de wachttijd aanzienlijk maken. Echter, eens dit gebeurd en de vrouw voor mij het afgetrapt was kon ik snel terugkeren met het buitgemaakte hoorntje met vanilleijs.
Iron Bertie - 'ik rij in koersoutfit naar huis' - stond ondertussen langs de kant van de weg tegen de auto geleund bewonderende blikken te vergaren.
Een happy end, zo lijkt, maar eens ik enkele dagen later de gazelle liet weten ijs van de Popeye weliswaar te apprecieren maar het toch geringer in te schatten dan het befaamde hoeveijs uit Limburg was het kot te klein.
De lezer dezer regels zal dus begrijpen dat en eerstvolgende fietstocht ons langs de Limburgse hoeve par excellence, de Sonnishoeve, zou leiden.
Dit was eigenlijk al een grote toegeving voor mij want, zoals de opmerkzame lezer zich misschien herinnert : een klein jaar geleden heb ik op deze blog eens bericht over de befaamde ritjes doorheen Limburg waarbij ik en Iron Bertie telkens op een tweesprong belandden. Rechtdoor voor Ter Dolen, een befaamd Limburgs bier, en rechtsaf voor het goede ijs van de Sonnishoeve. Toen kozen wij altijd voor de weg rechtdoor, richting Ter Dolen.
Kenmerkend misschien voor de zwakke wil van de hedendaagse man in het gezelschap en onder de leiding van een jonge vrouw is het nu dat ik, ondanks enig tegensputteren, toch rechtsaf sloeg op onze fietstocht, op Paaszondag, naar de Sonnishoeve.

Deze geïsoleerd gelegen hoeve was, dat zagen we van verre al, vergeven van de fietsers. Lokale bomma's vooral die ter versnapering nog een ijsje kwamen slurpen. Principieel wens ik mij in zulke zaken niet te mengen dus was het de gazelle die de opdracht kreeg het ijs te gaan halen. Ze kwam snel terug met 2 hoorntjes met een, enorme, bol ijs.